Onder de rook van het Betuwse Buren heeft Roeland Hakkert samen met zijn vrouw Astrid en zoon Thom een kersenboomgaard van 10 ha. Met maar liefst 18 verschillende rassen streeft Hakkert naar een lang oogst- en verkoopseizoen. Want, zo stelt hij: “Als je een groot areaal hebt van maar één of een paar rassen, krijg je ze minder makkelijk verkocht. Bovendien kom ik dankzij een lang plukseizoen toe met minder personeel.” Het grootste deel van de oogst van Megakers gaat onder de merknaam KroonKers naar de betere groente-en fruitspeciaalzaken in binnen- en buitenland. De kersen komen niet alleen van eigen boomgaard maar ook van drie vaste collega-telers die contractteelt voor hem doen. Daarnaast koopt Hakkert jaarlijks kersen bij om aan de vraag te voldoen. Ook doet de ondernemer bij een paar collega’s in de buurt de volledige gewasbescherming in loondienst.
Vooruit kijken
Het leveren van kwaliteit is voor Megakers de hoogste prioriteit en dat is op verschillende manieren terug te zien in Hakkert’s aanpak. Zo snoeit hij relatief veel hout weg in het midden van de boom ten behoeve van een egale belichting, en dus rijping, van alle vruchten. Kilo’s vindt hij minder belangrijk. Typerend is ook dat Hakkert veel met groene middelen werkt om ziekten en plagen te lijf te gaan. “Als je dergelijke middelen consequent en op tijd gebruikt werken ze gewoon”, stelt de kersenteler. “Ik probeer altijd om vooruit te kijken en als ik zie aankomen dat er ergens problemen gaan ontstaan begin ik op tijd met het uitproberen van alternatieve middelen. Die test ik dan in mijn eigen proeftuin, dat is een apart hoekje van mijn boomgaard. Ik heb voor elke schimmel wel iets biologisch in de kast staan. Maar ik schakel bewust niet 100% over op biologisch; daar ben ik te perfectionistisch voor. Ik spuit groen als het kan en met chemie als het moet.”
Uitval sterk gereduceerd
Een jaar of 4 jaar geleden deed zich zo’n situatie voor waarin Hakkert terugviel op chemie. “In één van mijn rassen groeiden de kersen te groot waardoor ze gingen scheuren en er rot optrad. Ik heb de aangetaste vruchten eerst grondig onder de microscoop bekeken en toen was mijn conclusie dat de infectie had plaatsgevonden tijdens de bloei. De biologische middelen die ik tot aan de bloei had gespoten waren kennelijk niet sterk genoeg. Daar zocht ik toen een chemisch alternatief voor. Op een beurs kwam ik Belanty tegen en dat heb ik eerst uitgeprobeerd in mijn proeftuin. Het uitvalpercentage zakte prompt van 35 naar 15 procent. Daarmee kon ik de bespuiting makkelijk rendabel rekenen en zo had ik mooi een gat in mijn groene aanpak gedicht. Sindsdien spuit ik de Belanty in al mijn rassen in en rond de bloei.”